Romeinen

Auteurschap

Romeinen is één van de (dertien, als men Hebreeën niet meetelt) brieven van Paulus. In de meeste Bijbels staat Romeinen voorop (direct na Handelingen), waarschijnlijk op basis van lengte. Van Paulus weten we ontzettend veel. Hier een biografische schets:

Paulus van vijand tot vriend

De eerste keer dat we van Paulus (toen nog Saulus) horen, is bij de steniging van Stefanus (Handelingen 7). In Handelingen 8:1-3 lezen we hoe Saulus er een welbehagen in had en ijverig meewerkte in het vervolgen van de gelovigen (Galaten 1:13-14; Filippenzen 3:6; 1 Timotheüs 1:13). Handelingen 9 beschrijft zijn reis naar Damascus om daar de christenen te vangen en gebonden naar Jeruzalem te brengen (waarschijnlijk 33/34 AC). Onderweg wordt hij echter zelf ‘gearresteerd’ door Jezus. Een helder licht van de hemel doet hem ter aarde vallen en een stem zegt tot hem: ‘Saul, Saul, wat vervolgt gij Mij?’ Op de vraag van Saulus van wie deze stem afkomstig is, klinken de volgende woorden: ‘Ik ben Jezus, Dien gij vervolgt. Het is u hard, de verzenen tegen de prikkels te slaan.’ Saulus komt tot geloof in Jezus en wordt door Hem aangesteld als verkondiger van het geloof, zowel onder de heidenen en de koningen als de Israëlieten.

Paulus voor zijn eerste zendingsreis (34-45 AC)

Saulus wordt vervuld met de Heilige Geest en na drie jaren (34-36 AC) in de eenzaamheid te zijn geweest (zie Galaten 1:17, waarschijnlijk heeft hij hier het Evangelie van Jezus van God geleerd), is hij kort in Damascus geweest (Galaten 1:17, Handelingen 9:20-25) en vervolgens voor 15 dagen naar Jeruzalem gegaan (Galaten 1:18-19, Handelingen 9:26-29). Net als in Damaskus proberen de Joden hem te doden en moet hij vluchten. Hij vertrekt via Cesarea naar Tarsen (Handelingen 9:30) en verblijft een lange tijd (tot ong. 43/44 AC) in de delen van Syrië en Cilicië (Galaten 1:21). Als in Antiochië velen tot geloof komen, wordt Barnabas door de gemeente in Jeruzalem daarheen uitgezonden (Handelingen 9:19-22). Hij bemoedigt de gelovigen en nog veel meer mensen komen tot geloof (vers 23-24). Vervolgens gaat Barnabas Saulus opzoeken in Tarsen en brengt hem naar Antiochië, waar ze een jaar (ong. 44-45 AC) verblijven (vers 25-26). De profeet Agabus kondigt een hongersnood aan (die omstreeks 46-48 AC ook gekomen is, ten tijde van Tiberius Julius Alexander). Een verzameling wordt gehouden en Barnabas en Saulus brengen het geld naar Jeruzalem (Handelingen 11:27-30, Galaten 2:1-10). Hierna keren ze terug naar Antiochië (Handelingen 12:25).

Paulus’ eerste zendingsreis en het Apostelconvent (46-48 AC)

In Handelingen 13:1-3 lezen we hoe Barnabas en Saulus worden afgezonderd door de Heilige Geest en de gemeente van Antiochië om aan ‘het werk’ te beginnen. De eerste zendingsreis begint (Handelingen 13:4-26). Al snel verandert de naam van Saulus in Paulus (13:9). Als ze terugkomen in Antiochië (rond het jaar 47/48 AC) vertellen ze wat God allemaal gedaan heeft door hen onder de heidenen (vers 27). In Antiochië zijn ze een lange tijd gebleven (vers 28). Waarschijnlijk is toen de brief aan de Galaten geschreven en heeft ook het voorval met Petrus hier plaats gevonden (Galaten 2:11-14). Handelingen 15 beschrijft het Apostelconvent. Deze vond plaats rond 48/49 AC. De zending onder de heidenen is het grote onderwerp van discussie. Moeten de heidenen besneden worden (een vraag die ook in de brief aan de Galaten centraal staat)? Vastgesteld wordt dat de heidenen alleen door het geloof zalig worden en dat men ze geen onnodig gebod (van de besnijdenis) op hoeft te leggen (vers 1-21). Paulus en Barnabas worden met Judas en Silas met dit antwoord naar Antiochië gezonden, waar ze nog een tijd blijven (vers 22-35).

Paulus’ tweede zendingsreis (49-52 AC)

Paulus stelt voor aan Barnabas de gemeenten in Galatië weer te bezoeken. Barnabas vindt dat een goed plan en stelt voor om Johannes Markus mee te nemen. Deze was er op de eerste zendingsreis ook bij, alleen Johannes was al snel teruggekeerd naar Jeruzalem (Handelingen 13:13). Paulus vindt het geen goed idee hem opnieuw mee te nemen. Een ruzie ontstaat tussen Paulus en Barnabas. Barnabas vertrekt met Johannes Markus naar Cyprus, Paulus verkiest Silas en begint met hem zijn tweede zendingsreis (Handelingen 15:36-41). Nadat Paulus enige gemeenten in Galatië heeft bezocht en Timotheüs als reisgenoot krijgt (Handelingen 16:1-6a), worden zij door de Geest gedrongen naar Macedonië (vers 6b-10). Ze komen aan in Filippi, waar God krachtig door hen heen werkt (vers 11-18). Nadat ze in de gevangenis zijn geworpen en daar op een wonderlijke manier uit zijn verlost (vers 19-40), vertrekken ze naar Thessalonica (Handelingen 17:1, 1 Thessalonicenzen 2:2). Na een positieve reactie van velen die tot geloof komen (vers 2-4), ontstaat ook hier vervolging (vers 5-9) en Paulus en Silas vluchten naar Berea (vers 10). Hier gebeurt hetzelfde als in Filippi en Thessalonica (vers 11-13), en Paulus vertrekt alleen naar Athene (vers 14-15). Terwijl Paulus op de komst van Silas en Timotheüs wacht, wordt hij zo geraakt door de afgoderij dat hij niet langer kan zwijgen (vers 16-17). Het eindigt op de Areopagus waar Paulus mag spreken van DE ONBEKENDE GOD. Als hij spreekt van de opstanding, lachen ze hem uit en Paulus verlaat Athene om naar Korinthe te gaan (vers 18-34). In Korinthe komen Silas en Timotheüs weer bij hem (Handelingen 18:5). Waarschijnlijk heeft Paulus Timotheüs nog naar Thessalonica gestuurd, om hen te versterken in hun geloof (1 Thess. 3:1-5). De komst van Timotheüs met een goede boodschap over de gemeente (vers 6-11), is de aanleiding voor Paulus om de Thessalonicenzen een brief te schrijven (50/51 AC). Waarschijnlijk ontstaat er verwarring over de wederkomst en de opstanding, waarom Paulus snel een tweede brief  er achter aan stuurt. Na Korinthe keert Paulus via Efeze (Hand. 18:19-21) en Jeruzalem naar Antiochië (vers 22). Waarschijnlijk is dit omstreeks het jaar 52/53 AC.

Paulus’ derde zendingsreis en het schrijven van de brief aan Rome (53-57 AC)

Zijn derde zendingsreis begint Paulus opnieuw vanuit Antiochië met het bezoeken van de gemeenten in Galatië en Frygië (Handelingen 18:23). Hierna komt hij aan in Efeze, waar hij twee jaar (53-55 AC) verblijft (Handelingen 19). Paulus krijgt hier het voornemen om naar Rome te gaan (vers 21). Vanuit Efeze heeft hij de eerste brief aan Korinthe geschreven (1 Korinthe 16:5-9). Na Efeze gaat hij naar Macedonië (Handelingen 20:1-2a). Vanuit Macedonië heeft hij 2 Korinthe geschreven (55/56 AC). Hierna ging Paulus naar Korinthe in Griekenland/Achaje (vers 2b). Drie maanden lang is Paulus in Korinthe en in deze plaats (of in Kenchreeën, de oostelijke havenstad van Korinthe (Romeinen 16:1)) heeft hij de brief aan de Romeinen geschreven (57 AC). Hierin uit hij het verlangen om spoedig tot hen te komen. Hij moet echter eerst naar Jeruzalem om daar de collecte van de gemeenten af te dragen. En Jeruzalem is een gevaarlijke plek voor Paulus geworden… (Romeinen 15:23-31, vgl. Handelingen 20:22-23; 21:10-14, 21:15-23:22).

Apostelschap van Paulus

Paulus schrijft met apostolisch gezag. Hij noemt zich voor alles een ‘apostel van Jezus Christus’ en een ‘geroepen apostel’. Wat is een apostel? Een apostel is allereerst iemand die de opgestane Jezus heeft gezien en daarom daar een getuige van is (1 Korinthe 9:1; Handelingen 22:14-15; 1 Korinthe 15:5-8). Paulus noemt zichzelf een apostel omdat Jezus Zich aan hem heeft geopenbaard. Als Jezus Zich niet aan Hem had geopenbaard op de weg naar Damascus, dan had hij wel een prediker of profeet geweest kunnen zijn, maar geen apostel. Hij noemt zich wel de minste van de apostelen, die het helemaal niet waard is om het te zijn, omdat hij een vervolger is geweest van de gemeente van God. Het is de genade van God die hem tot apostel heeft gemaakt en krachtig door hem heeft gewerkt (1 Korinthe 15:9-10). Een apostel is ten tweede iemand die persoonlijk door de opgestane Heere Jezus geroepen, afgezonderd en uitgezonden is om een prediker te zijn van het Evangelie (Romeinen 1:1). Paulus was door Jezus Zelf aangesteld om een licht te zijn voor de heidenen (zie bijv. Handelingen 26:15-20). Ten derde hadden de apostelen bijzondere autoriteit ontvangen. Ze ontvingen de kracht om wonderen te doen en kerken te planten. Dit bewees hun gezag als apostelen (Markus 16:17-18; 1 Korinthe 9:2; Galaten 2:8; Hebreeën 2:4). Zij legden het fundament en alles wat van hun leer afweek was en is duivels (1 Korinthe 3:11; Galaten 1:6-9; Efeze 2:20).

Datering

Zoals hierboven al aangegeven, is de brief aan de Romeinen geschreven tijdens de derde zendingsreis van Paulus, vanuit Korinthe (ong. 57 AC). Paulus was toen nog nooit in Rome geweest en zou hier een paar jaar later als gevangene aankomen (Handelingen 28).

Geadresseerden

Rome was in de tijd van Paulus al een grote stad met ruim 1 miljoen inwoners, gebouwd op zeven hoge heuvels. Rome kende naast armere buurten, prachtige wijken met dure villa’s. Het beeld van de stad werd beheerst door prachtige marmeren tempels, paleizen en zuilengangen. De inwoners kwamen uit veel verschillende landen. Zo woonden er ook veel Joden (ongeveer veertig- tot vijftigduizend).

Hoe de eerste gemeente in Rome is ontstaan is onbekend. Paulus was er nooit geweest. Nergens wordt er op gezinspeeld dat Petrus de gemeente gesticht zou hebben, dus die kans is ook klein. Waarschijnlijk is het Evangelie Rome binnengekomen door mensen die enige tijd buiten de stad waren geweest, ergens het Evangelie hadden gehoord (bijvoorbeeld in Jeruzalem met Pinksteren (Handelingen 2:10)), tot geloof waren gekomen en het Evangelie mee terug hadden genomen naar Rome.

Een mededeling van Suetonius in zijn Vita Claudii 25 wekt de indruk dat er rond het jaar 49 al een gemeente in Rome bestond. De mededeling luidt: ‘Hij (Claudius) verdreef de Joden uit Rome, omdat zij op aanstichten van Chrestus voortdurend onlusten veroorzaakten’. Inderdaad was er in het jaar 49 een edict van Claudius dat alle Joden uit Rome moesten vertrekken (vergelijk Handelingen 18:2). Chrestus zou dan Jezus Christus zijn. Een spanning tussen Joden die wel in Hem geloofden en Joden die niet in Hem geloofden, is goed denkbaar. Mogelijk liep het conflict zo hoog op dat Claudius zich genoodzaakt voelde op deze manier in te grijpen. Tegen deze theorie, die overigens breed gedragen wordt, zijn echter gegronde bezwaren ingebracht (waarschijnlijk gaat het om onlusten in Palestina). Hoe het ook zij, de gemeente van Rome bestond al wel enige tijd toen Paulus hen schreef, want ‘hun geloof werd over de hele wereld verkondigd’ (Romeinen 1:8).

De gemeente van Rome bestond zowel uit Joden als heidenen. Veel vermaningen vinden hun achtergrond in een tegenstelling tussen deze twee groepen in de gemeente. Een belangrijke boodschap van de brief is dat de twee groepen elkaar moeten aanvaarden (Romeinen 15:7 vv). De groep van de heidenen lijkt het grootst (Romeinen 1:5v., 13, 11:13, 15:16), mogelijk doordat veel Joden Rome rond het jaar 49 moesten verlaten (zie boven). Met ‘de sterken’ in hoofdstuk 14 wordt dan ook gedoeld op de heidenen en met ‘de zwakken’ op de Joden.

Doel en inhoud

Er zijn verschillende meningen over wat precies het (hoofd)thema is van de brief aan de Romeinen. Waarom werd de brief geschreven? Wat was de aanleiding hiertoe? Wat wilde Paulus bereiken?

  1. Paulus wilde zijn dogmatiek nalaten: Paulus voelde zijn einde naderen en besloot om de kern van zijn leer op te schrijven voor hij stierf. De kern van deze leer was ‘de rechtvaardiging door het geloof’. Hij begint dit thema aan te kondigen in hoofdstuk 1:16-17: “Want ik schaam mij het Evangelie van Christus niet, want het is een kracht Gods tot zaligheid een iegelijk die gelooft, eerst de Jood en ook de Griek. Want de rechtvaardigheid van God wordt in hetzelve geopenbaard, uit geloof tot geloof: gelijk geschreven is: Maar de rechtvaardige zal uit het geloof leven.’ Bezwaarlijk is echter dat niet alles onder dit thema valt, zeker de hoofdstuk 12-16 zijn moeilijk in dit kader te plaatsen. Daarnaast zijn er veel belangrijke onderwerpen die niet eens genoemd worden, bijvoorbeeld het Avondmaal. Romeinen wil dus zeker geen alomvattende geloofsleer van Paulus zijn.
  2. Paulus wilde zijn apostolische bediening verdedigen: De eerste verzen van hoofdstuk 1 maken al duidelijk dat Paulus een apostel is en afgezonderd tot het Evangelie. Hij heeft de taak om dit Evangelie onder de heidenen te verkondigen tot gehoorzaamheid van het geloof. Paulus werd echter van veel dwalingen beschuldigd (bijv. Romeinen 3:8) en hij wil door de brief aan de Romeinen bewijzen dat hij geen valse apostel is. Het zendingswerk in het oosten heeft Paulus afgerond en hij wil door deze brief rekenschap geven van de kritiek op zijn prediking door al die jaren en zich daartegen verdedigen. Het is echter waarschijnlijker dat bepaalde vragen of tegenwerpingen leefden in de gemeente van Rome, dat Paulus daar bekend mee was en ze pastoraal beantwoordt.
  3. Paulus wilde Rome als nieuwe uitvalsbasis: Heel duidelijk stelt Paulus in het vijftiende hoofdstuk van zijn brief dat hij naar Rome wil komen om van hen naar Spanje geleid te worden (vers 24). Hij is klaar in ‘deze gewesten’ (Galatïe, Macedonië, Achaje), de grote steden zijn bereikt en het wordt tijd om een nieuw gebied te bereiken. Dit gebiedt, Spanje, ligt te ver van Antiochië, dat tot nu toe de uitvalsbasis was. Paulus heeft een nieuwe gemeente nodig die hem kan uitzenden. Rome is hier een geschikte gemeente voor. Door middel van deze brief kondigt Paulus zijn komst vast aan en maakt hij zijn verlangen duidelijk om door hen gesteund te worden in het bereiken van Spanje.
  4. Paulus wilde dat de gelovige Joden en heidenen één werden: Bij het lezen van de brief valt op dat Paulus vaak zinspeelt op of ingaat op de verschillen en overeenkomsten tussen Joden en heidenen (‘Eerst de Jood, en ook de Griek’). In hoofdstuk 14 en 15 wordt heel duidelijk dat er spanningen waren tussen deze twee groepen in de gemeente. Paulus heeft dit ter ore gekregen en hij schrijft met dit doel dat ‘Joden en heidenen eendrachtig met één mond de God en Vader van onze Heere Jezus Christus verheerlijken’ (15:6).

Nu hoeven deze visies elkaar niet uit te sluiten. Paulus kon meer doelen hebben met het schrijven van één brief. De verhouding tussen Joden en heidenen is een rode draad door heel de brief. Paulus wil daarnaast duidelijk een goede band opbouwen met de gemeente, omdat hij via hen Spanje wil bereiken. Hij moet hierbij echter wel zorgen dat de gemeente in Rome hem (als apostel) en zijn leer (het Evangelie van Jezus Christus) vertrouwt. Hij geeft dus uitgebreide uiteenzettingen van belangrijke leerpunten (voor hem en voor de gemeente). Er mocht geen enkel wantrouwen zijn tegen zijn bediening, er mocht geen onenigheid zijn binnen de gemeente, of het was onmogelijk om door deze gemeente geholpen te worden in zijn verdere zendingswerk.

Indeling/structuur

De brief is op te delen in een inleiding (1:1-15), een didactische uiteenzetting (1:16-11:36), een parenetische uitwerking (12:1-15:13) en een afsluitend gedeelte (15:14-16:27).

In de inleiding stelt Paulus zichzelf voor en de boodschap die hij verkondigt. Daarnaast groet hij hen met de zegenbede en dankt hij God voor hun geloof. Hierna uit hij zijn verlangen om spoedig naar Rome te komen.

De didactische uiteenzetting is op  te delen in 2 delen: in het eerste deel geeft Paulus een uiteenzetting van zijn Evangelie (1:16- 8:39). In het tweede deel gaat Paulus in op het ongeloof van de Joden en zijn worsteling daarmee (9:1- 11:36).

  • Het eerste deel: Paulus begint zijn uiteenzetting van het Evangelie met te betogen dat zowel Joden als heidenen onder de toorn van God liggen en door eigen werken onmogelijk gerechtvaardigd kunnen worden (1:16- 3:20). Er is echter een andere rechtvaardigheid, buiten de wet om. Dit is de rechtvaardigheid van Christus, waarin iedereen, zowel Joden als heidenen, mag delen die in Hem gelooft. Door het geloof werden zowel Abraham als David gerechtvaardigd, evenals allen die nu in Jezus geloven (3:21- 5:21). In de hoofdstukken 6 tot en met 8 maakt Paulus duidelijk wat dit uitwerkt in het leven van de gelovigen (heiliging). Uiteindelijk is deze redding door het geloof zo groot en heerlijk, dat niets, maar dan ook echt helemaal niets, ons meer zal kunnen scheiden van God!
  • Het tweede deel: Hoe is het mogelijk dat de Joden zo’n heerlijk Evangelie afwijzen? Waarom geloven zovelen niet in Jezus als de Messias? Dit zijn moeilijke vragen die Paulus hebben gekweld. Hij heeft echter geleerd dat ook hierin Gods wijsheid blijkt, om zo de heidenen te redden. De val van de Joden is geen doel op zich, maar een middel dat God gebruikt ten goede van velen heidenen. De bekering van de heidenen is weer een middel dat God wil gebruiken om de Joden tot jaloersheid en bekering te brengen. In hoofdstuk 9 kijkt Paulus terug in het verleden en maakt duidelijk dat het nooit anders is geweest. Er is altijd slechts een overblijfsel geweest en er zal altijd een overblijfsel wél behouden worden. In hoofdstuk 10 gaat Paulus in op de huidige tegenstand van de Joden tegen het Evangelie. In hoofdstuk 11 kijkt Paulus naar de toekomst en wijst op het herstel van Israël dat zal komen doordat de volheid van de heidenen ingaat. Er zullen altijd Joden tot geloof komen doordat ze bij de heidenen zien dat Evangelie een kracht is zaligheid. Op deze manier zal ‘heel Israël’ zalig worden (alle Joden die God heeft uitverkoren, het wáre Israël (9:6)).

De parenetische uitwerking bestaat uit een oproep heilig te leven in 1) het persoonlijke leven, met betrekking tot dienstbaarheid in de gemeente (hoofdstuk 12:1-16) en de houding ten opzichte van allen die het de gelovigen moeilijk maken (vers 17-21), in 2) het publieke leven, als onderdanen van het Romeinse gezag (hoofdstuk 13:1-7) en tot de naaste in het algemeen (vers 8-10) en in 3) het gemeenteleven als broeders en zusters (hoofdstuk 14:1- 15:13).

Het afsluitende gedeelte maakt duidelijk wat de planning is van Paulus. Hij moet eerst Jeruzalem bezoeken en daar de collecte afdragen van Macedonië en Achaje. Vervolgens zal hij Rome bezoeken om door hen naar Spanje gezonden te worden (Romeinen 15:14-33). Hoofdstuk 16 is een lange reeks groeten (vers 1-16), wat duidelijk maakt dat Paulus veel mensen in die gemeente al kende. Hij geeft nog een waarschuwing tegen valse leraars en doet de groeten van zijn medearbeiders (vers 17-24). De brief eindigt met een schitterende doxologie, waarin de alleen wijzen God door Jezus Christus de heerlijkheid wordt gegeven in der eeuwigheid (vers 25-27).