Johannes

Dit is één van de vier beschrijvingen van het Evangelie in het Nieuwe Testament

Schrijver: Hij noemt zijn eigen naam in heel het Evangelie niet, maar omschrijft zichzelf wel duidelijk genoeg om het voor ons mogelijk te maken te weten wie hij is. Hij is één van de eerste discipelen van Jezus. Zijn eerste kennismaking met Jezus lezen we in Johannes 1, waar Jezus door Johannes de Doper wordt aangewezen als het Lam van God. Twee discipelen horen dit en gaan Jezus volgen. Andreas, de broer van Petrus, is de ene, maar wie is de andere? Hij blijf naamloos. Later in het Bijbelboek wordt hij omschreven als ‘de discipel die Jezus liefhad’. Het is Johannes, zoals het Bijbelboek terecht heet.

Ontvangers: Waarschijnlijk schreef hij dit Evangelie aan de inwoners van Efeze, waar Johannes de laatste jaren van zijn leven doorbracht en ook is gestorven. Het is aannemelijk dat zijn ontvangers in elk geval geen Hebreeuws of Aramees konden en ook (gedeeltelijk) geen joden waren, aangezien Johannes regelmatig woorden in het Grieks vertaald (bijv. 1:39, 42) of voor joden bekende dingen nader toelicht (4:9b). Het is waarschijnlijk dat de ontvangers al wel christenen waren (zie doel).

Doel: Johannes omschrijft zelf aan het einde van zijn Evangelie het doel van zijn schrijven.  “Jezus dan heeft nog wel vele andere tekenen in de tegenwoordigheid van Zijn discipelen gedaan, die niet zijn geschreven in dit boek; Maar deze zijn geschreven, opdat gij gelooft, dat Jezus is de Christus, de Zone Gods, en opdat gij gelovende het leven hebt in Zijn Naam.” (Joh. 20:30-31) Het lijkt er dus op dat het doel van Johannes is de ontvangers tot geloof te bewegen. Maar waren de ontvangers dan nog geen christenen? De tijd van het tweede werkwoord ‘geloven’ is een participium, en geeft in het Grieks iets van ‘blijven’  aan. Het is dus de bedoeling dat de ontvangers blijven geloven, volharden in het geloof en door dit geloof het leven ontvangen. Wat moeten ze dan geloven? Dat Jezus is de Christus, de Zoon van God. Wat is de grond van dit geloof? Hoe kunnen zij zeker weten dat Jezus ook daadwerkelijk de Christus en de Zoon van God is? Johannes benadrukt steeds weer dat Jezus vele tekenen in de tegenwoordigheid van Zijn discipelen heeft gedaan. Bij de inhoud zal ik dit verder uitwerken.

Structuur: Johannes is op te delen in verschillende delen. Allereerst is er een proloog (1:1-18) op het hele Bijbelboek. Daarna volgen er twaalf hoofdstukken (1:19-12:50) die een geheel eigen karakter hebben en focussen op de persoon van Jezus in Zijn Godheid en mensheid, in woorden en werken. Dit gedeelte staat bekend als het boek van de tekenen. De volgende 8 hoofdstukken van het Evangelie worden wel het boek van het lijden genoemd. De hoofdstukken 13-17 beschrijven het laatste Avondmaal voor Jezus’  sterven, dat Hij alleen met Zijn twaalf discipelen houdt. De hoofdstukken 18-20  beschrijven het sterven, de opstanding en de verschijningen van Jezus. Hoofdstuk 21 is het slothoofdstuk, waarin Petrus (ook in relatie tot Johannes) op een bijzondere manier op de voorgrond staat.

Inhoud (proloog): In de proloog worden de belangrijkste hoofdpersonen en kernelementen (Licht, Leven, duisternis, getuigen, aannemen, uit God geboren, vlees, heerlijkheid, Oude Testament, etc.) van het Bijbelboek geïntroduceerd, met alle nadruk op Jezus (het gaat tenslotte ook om het kennen van Hem!). Hij is het Woord dat al in de beginne (vgl. Gen. 1:1) was. Hij was bij God, ja Hij was God Zelf. Hij is Zelf de Schepper van alle dingen (vgl. Kol.1, Hebr.1) en er is niets wat niet door Hem gemaakt is. Hij heeft het Leven in Zichzelf, en is daarom ook de Bron van Leven en Licht. Hij is het waarachtige Licht, dat schijnt in de duisternis. Hij is gekomen in deze wereld, tot de Zijnen. Hij is vlees geworden, heeft onder ons ‘getabernakeld’,  en Zijn (Goddelijke) heerlijkheid is geopenbaard. Hij is vol genade en waarheid en is daarmee ook de Bron van overvloedige genade (genade voor genade). Hij is meer dan Mozes, die de wet heeft gegeven, maar niet de vervulling. Tenslotte is Jezus de Enige Die de Vader heeft gezien en daarom ook de Enige Die ons kan vertellen Wie God daadwerkelijk is. Naast Jezus worden Johannes de Doper (1:6-8, 15), de wereld (1:5, 10), de Joden (1:11) en de ware gelovigen, de uit-God-geborenen (1:12-13, 14, 16) geïntroduceerd. Deze personen en groepen spelen in de volgende twaalf hoofdstukken een belangrijke rol.

Inhoud (het boek van de tekenen): In deze hoofdstukken wordt duidelijk wie Jezus is. Allereerst heeft Hij een wegbereider, zoals de profeet Jesaja al gezegd heeft (Joh. 1:23). Dit is Johannes de Doper. Hij is het Die als eerste van Jezus getuigt, Hij is het die zijn eigen discipelen oproept om hem te verlaten en Jezus te gaan volgen. Deze discipelen zullen getuige zijn van alles wat Jezus zegt en doet, opdat zij straks van Jezus kunnen getuigen. Het woord getuigen speelt een hele belangrijke rol in deze hoofdstukken, maar ook in het hele Bijbelboek. In de proloog krijgt het woord getuigen al een prominente plaats, waar Johannes de Doper degene is die getuigt (1:7-8, 15). Het boek eindigt ook met dit woord, waar Johannes de discipelen degene is die getuigt (21:24-25). Het woord getuigen komt verder in heel het Bijbelboek veelvuldig naar voren (bijv. 1:19, 32, 34, 3:11, 26, 27, 32-33, 4:39, 5:31-39 (10x!), 8:13-18, 10:25, 15:26,27, 19:35). Er Zijn zeven getuigen: Johannes de Doper, Jezus Zelf, Zijn tekenen, de Vader, de Schriften (het Oude Testament/Thora) de Heilige Geest en de discipelen (waaronder Johannes zelf). Opvallend is het dat het getal zeven een belangrijke rol speelt in heel het Bijbelboek. Er zijn dus zeven getuigen, maar ook zeven tekenen (vandaar de naam van dit gedeelte in het Bijbelboek):

  1. Jezus veranderde op de bruiloft te Kana water in wijn (Joh. 2:1-11)
  2. Jezus maakte op grote afstand de zoon van de hoofdman te Kapernaüm beter (Joh. 4:46-54)
  3. Jezus gaf aan iemand die al 38 jaar ziek gelegen had, de kracht om weer te lopen (Joh. 5:1-9)
  4. Jezus voorzag met 5 broden en 2 vissen, meer dan 10.000 mensen van eten (Joh. 6:5-14)
  5. Jezus wandelde op het water (Joh. 6:16-21)
  6. Jezus maakte een blindgeborene ziende (Joh. 9:1-7).
  7. Jezus wekte Lazarus op uit de dood, terwijl hij al 4 dagen in het graf had gelegen (Joh. 11:11-44)

Johannes geeft zelf de reden waarom hij zeven tekenen heeft uitgekozen:  “Jezus dan heeft nog wel vele andere tekenen in de tegenwoordigheid van Zijn discipelen gedaan, die niet zijn geschreven in dit boek; maar deze zijn geschreven, opdat gij gelooft dat Jezus is de Christus, de Zoon van God, en opdat gij gelovende het leven hebt in Zijn Naam.” (20:30-31)

Deze tekenen, die een onderdeel zijn van het getuigenis, hebben dus het geloof als doel! Het blijkt inderdaad dat de tekenen en de getuigen vaak in relatie staan met het geloof. Het woord getuigen had een juridische lading. De rechter moest iemand beoordelen op grond van getuigen. Was het getuigenis doorslaggevend, dan nam de rechter het getuigenis aan. Het aannemen is in Johannes dus een bevestigen van de betrouwbaarheid van de getuige (vgl. Joh. 3:33) en een synoniem voor geloven.