Genesis

Genesis is het eerste boek van de Bijbel, het eerste boek van het Deuteronomistisch geschiedwerk (Genesis tot en met Koningen) en het eerste boek van de Thora of Pentateuch. In het Hebreeuws heet het boek בּראשׁית Bereshit  (‘in het begin’), wat de eerste woorden zijn van het Bijbelboek. De naam Genesis is een vertaling van de Griekse aanduiding van het Bijbelboek en betekent ‘wording’. Dit is een typerende naam voor het Bijbelboek omdat het de geschiedenis van het ontstaan van veel dingen beschrijft (vgl. Genesis 2:4a ‘Dit is het boek van de genesis van hemel en aarde’). De wording van de wereld, van de schepselen, van de zonde, van het volk Israël en van het verbond en van vele andere dingen worden verteld. Het boek is daarmee fundamenteel om de rest van de Pentateuch, het Oude Testament en zelfs het Nieuwe Testament te kunnen begrijpen. De tijd die het boek alleen al in de eerste 11 hoofdstukken beschrijft, is die van ongeveer 4000-2000 voor Christus (een exacte datering van de schepping is onmogelijk te geven), een periode van twintig generaties (Adam-Abraham) die langer is dan heel de rest van de Bijbel bij elkaar. De verhalen van Abraham tot en met Jozef beslaan met de geschiedenis van vier generaties een veel kortere tijdsperiode. De nadruk in Genesis ligt dus vooral op het ontstaan en begin van het volk van Israël (hoofdstuk 12-50). De boodschap en theologie van deze hoofdstukken zijn echter onbegrijpelijk zonder de eerste elf hoofdstukken te kennen. (zie Inhoud)

Auteurschap en datering

Tot voor enkele eeuwen ging men er binnen het jodendom en christendom vanuit dat Genesis, evenals de andere vier boeken van de Thora, geschreven is door Mozes (leefde ongeveer 1500 v. Christus). In de boeken zelf wordt er geen enkele uitspraak over gedaan (hoewel er in sommige teksten gezegd wordt dat Mozes dingen moest opschrijven, bijv. Exodus 17:14 en Numeri 33:2). In het Oude en Nieuwe Testament worden deze boeken steeds aan Mozes toegekend (bijv. Jozua 1:7 en 8, Ezra 6:18, Markus 12:26 en Johannes 1:46). Ook Philo, Josephus, de Misnah en de Talmoed zijn unaniem in het standpunt dat Mozes dingen beschreef die honderden, ja duizenden jaren voor hem gebeurd waren. De geschiedenissen die beschreven worden, zijn generatie op generatie mondeling overgeleverd. Omdat de mensen toen schriftelijke overlevering kenden, waren ze veel beter in de mondelinge overlevering. Daarnaast werden de mensen zeer oud en was er bijvoorbeeld tussen Adam en Noach maar één tussenpersoon nodig om de geschiedenis over te dragen (Methusalach leefde vroeg genoeg om Adam te kennen en lang genoeg om Noach te kennen!).

Abraham ibn Ezra (1089-ca. 1164), een Spaanse rabbijn, was de eerste die twaalf plaatsen in de Thora aanwijst die volgens hem het auteurschap van Mozes in twijfel trekken (Spinoza (1632-1677) is hier op doorgegaan). Een later schrijver moet deze teksten, zoals het sterven van Mozes, geschreven hebben. Iemand anders die zich tegen het auteurschap van Mozes verzette was Andreas Bodenstein Karlstadt (1486-1541), eens Luthers ambtgenoot in Wittenberg. Hij merkt op dat Jozua dezelfde stijl heeft. Met zijn gezichtspunt werd weinig gedaan. Met de wijziging van het wereldbeeld in de zeventiende eeuw, de definitieve aantasting van het gezag van de Schrift als bron voor alle mogelijke kennis en de invoering van de rede als enig betrouwbaar instrument van wetenschappelijk verantwoorde kennis, kwam er ruimte voor de kritische bijbelwetenschap. Jean Astruc (1684-1766), lijfarts van Lodewijk XV en hoogleraar in medicijnen aan de Universiteit van Parijs, werd bekend als de vader van de bronnentheorie. Hij wilde echter juist bewijzen dat Mozes wel de auteur was van de verschillende bronnen, die een latere schrijver bijeen had gevoegd. De bronnentheorie werd gevolgd door de oorkondenhypothese, fragmentenhypothese en aanvullingshypothese.

De bronnentheorie van Julius Wellhausen (1844-1918) heeft ongetwijfeld de meeste invloed gehad. Hij onderscheidde drie lagen in de Pentateuch: JE, samengesteld uit twee bronnen (J en E), die elk voor zich de kenmerken vertonen van drie opeenvolgende uitgaven, maar moeilijk van elkaar te onderscheiden zijn, Deuteronomium (D) en de priesterlijke bron (P). Zij stammen naar zijn mening respectievelijk uit omstreeks 840, 700, 620 en 500 voor Christus. Deze theorie wordt echter sterk gedragen door de veronderstelling dat Israëls religie een ontwikkeling was van een primitieve en naïeve natuurreligie en polytheïsme tot een meer gezuiverd monotheïsme. Hiermee geeft men een beeld van Israëls godsdienstgeschiedenis dat de oudtestamentische overlevering volledig op de kop zet. Veel van Wellhausens opvattingen zijn intussen gebleken niet houdbaar te zijn. Latere geleerden hebben zich sterk verzet tegen een bronnensplitsing die op willekeurige wijze verhalen welke zich als literaire eenheid aandienen, uiteenrukt.

Het voert te ver om alle mogelijke standpunten weer te geven die zijn ingenomen. Op elke theorie is veel kritiek gekomen. We tasten rondom veel zaken in het duister. Over één ding zijn alle geleerden (ook conservatieven) het wel eens, dat al zouden de boeken door Mozes geschreven zijn, deze wel latere bewerkingen hebben ondergaan door andere schrijvers. Ook maken de boeken zelf duidelijk dat er gebruik is gemaakt van bronnen (Numeri 21:14). Ondanks onzekerheden omtrent het menselijke auteurschap, mogen we met het latere Oude en Nieuwe Testament belijden dat het teksten zijn met goddelijk auteurschap en daarmee goddelijk gezag.

Indeling

Het boek is als volgt in te delen:

  • Hoofdstuk 1 tot en met 11 (de oergeschiedenis)
  1. 1-2 Schepping
  2. 3 De zondeval
  3. 4-5 Kaïn en Abel, de eerste doodslag; de oudvaders
  4. 6-9 Huwelijk van de zonen Gods; de bouw van de ark en de zondvloed
  5. 10 Volkenlijst
  6. 11 Torenbouw van Babel en spraakverwarring; nakomelingen van Sem
  • Hoofdstuk 12-50 (aartsvaders Abraham (12-25), Izak (25-28) en Jakob (28-50))
  1. 12 Roeping van Abraham; Abraham in Egypte
  2. 13 Abraham en Lot
  3. 14 Strijd tegen koningen van het Oosten; Melchizedek
  4. 15 Gods belofte aan Abraham
  5. 16 Hagars eerste vlucht
  6. 17 Gods verbond en instelling besnijdenis
  7. 18 Gods belofte van zoon Abraham; voorbede voor Sodom
  8. 19 Sodom en Gomorra
  9. 20 Abraham in Gerar
  10. 21 Geboorte Izaäk; verdrijving Hagar
  11. 22 Abrahams geloof beproefd
  12. 23 Sara’s dood en begrafenis
  13. 24 Izaäks huwelijk met Rebekka
  14. 25 Abrahams dood; Ezau en Jakob
  15. 26 Izaäk in Gerar
  16. 27 Jakob steelt de zegen; zijn vlucht
  17. 28 Jakob te Bethel
  18. 29-31 Jakob en Laban
  19. 32 Jakob te Pniël
  20. 33 Jakob en Ezau
  21. 34 Dina en Sichem
  22. 35 Jakob opnieuw te Bethel; Rachels en Izaks dood;
  23. 36 Ezau’s  nakomelingen
  24. 37-47 Het Jozefsverhaal
  25. 38 Juda en Thamar
  26. 48-50 Levenseinde Jakob (zegen; laatste woorden) en Jozef.

Er is ook een indeling te maken op basis van de zogenaamde Toledoth- formule. De Hebreeuwse frase אלּה תולדות  komt elf keer voor (2;4; 5:1; 6:9; 10:1; 11:10,27; 25:12,19; 36:1[,9]; 37:2) en kan op verschillende manieren vertaald worden, zoals ‘dit zijn de geboorten van’, ‘dit is het geslachtsregister van’ en ‘dit is de geschiedenis van’. Genesis 1 tot en met 2:3 zou dan een inleiding of proloog zijn, gevolgd door tien episodes.

Inhoud

Zo als boven al gezegd is het boek Genesis op te delen in de hoofdstukken 1-11 en 12-50. De eerste hoofdstukken beschrijving een geschiedenis van heel de wereld (van schepping tot torenbouw van Babel) en werkt toe naar de geschiedenis van een volk. Hoofdstuk 12:1-3, de roeping van Abraham uit wie God een nieuw volk zal maken, maakt echter duidelijk dat het God nog steeds te doen is om heel de wereld: ‘In u zullen alle geslachten van de aarde gezegend worden.’

De eerste elf hoofdstukken geven een beweging van een ‘harmonieuze schepping’ (hfst. 1-2), naar een ‘vervreemde schepping’ (hfst. 3-11). Een patroon van zonde-oordeelgesprek-(verzachting)-straf lijkt zich vijf keer te herhalen (de zondeval – Gen. 3; Kaïn en Abel – Gen. 4; zonen van God – Gen. 6:1-4; de zondvloed – Gen. 6:5-7:24 en torenbouw van Babel – Gen. 11:1-9). Bijvoorbeeld: Genesis 3:6 beschrijft de zonde. Dit wordt gevolgd door een oordeelrede van God (Gen. 3:14-19). De HEERE eindigt echter met een genadige en verzachtende handeling en geeft Adam en Eva kleding om hun naaktheid te bedekken (Gen. 3:21), wat wel gevolgd wordt door de straf (Gen. 3:22-24). In de herhaling zit ook een intensivering. De zonde wordt steeds groter. De genade echter ook. Kaïn krijgt als een dolende toch bescherming en terwijl de mensheid omkomt in de zondvloed, spaart God Noach en zijn familie in de ark. De geschiedenis van de mens is één grote poging om de goede schepping van God te vernietigen. Het is de liefde en genade van God die steeds weer opnieuw wil beginnen met de mens. Maar steeds weer blijkt het probleem van de zonde van de mens niet opgelost te zijn. Zelfs een zondvloed blijkt geen oplossing te zijn. Er moet een ander plan bedacht worden om de mensheid te verlossen van haar zondigheid.

Vanaf het twaalfde hoofdstuk wordt er ingezoomd op één persoon, één familie en één volk. Het is via dit volk dat God de mensen wil verlossen van hun escalerende zonden. Het is opvallend dat het verhaal van de torenbouw van Babel niet gevolgd wordt door een verzachtend woord van genade. Het eindpunt lijkt bereikt te zijn. Heeft God de relatie met de mensen definitief verbroken? Het is in dit dieptepunt dat Gods stem Abraham roept. ‘In (hem en) zijn zaad zullen alle volken van de aarde gezegend worden!’ Abraham is een nakomeling van Thera (Gen. 11:27-32) en hij wordt de erfgenaam. Er is echter een probleem, want Sara is onvruchtbaar. Wie wordt de volgende erfgenaam? Genesis 12-36 wordt theologisch gekenmerkt door de verschijningen en beloften van God aan Abraham, Izak en Jakob. Het zijn beloften van nakomelingschap, van land, van hulp, van groei en vermeerdering, van zegen voor zichzelf en voor de volken. Iets van deze zegen zien we af en toe terug komen in de geschiedenissen. Laban zegt tegen Jakob: ‘Ik heb waargenomen dat de HEERE mij om uwentwil gezegend heeft’ (Gen. 30:27) en de Egyptische Potifar wordt gezegend om wille van Jozef (Gen. 39:5). De beloften van God zijn onvoorwaardelijk. Nergens lezen we ‘mits’ of ‘als’. Dit maakt duidelijk dat de aartsvaderverhalen niet zozeer gaan over het geloof van de patriarchen, als wel om de trouw van God. Het geloof en de gehoorzaamheid van de patriarchen zijn echter wel de weg waardoor ze geestelijk tot een zegen zijn (vgl. Gen. 22:16,18) evenals hun voorbede (Gen. 18:16-33). Dat de patriarchen nergens gestraft worden is zeer opvallend, omdat ze absoluut niet vrij zijn van dubieus en slecht gedrag. Als God niet trouw was aan Zijn Woord, waren de beloften nooit vervuld! Het is deze trouw van God die ervoor zorgt dat de familie van Jakob niet om zal komen van de honger. Op een wonderlijke manier bewaart Hij het volk, door Jozef naar Egypte te laten verkopen (Gen. 50:20). Het is in dit land dat het volk wacht op de vervulling van Gods belofte. De belofte die God waar zal maken! ‘God zal u gewis bezoeken en Hij zal u doen optrekken uit dit land in het land, dat Hij Abraham, Izak en Jakob gezworen heeft.’ (Gen. 50:24)

Lijnen naar het Nieuwe Testament

Er zijn ontzettend veel lijnen te trekken vanuit Genesis naar het Nieuwe Testament. Allereerst naar de herschepping van de vervloekte aarde. De volmaakt goede schepping is door de zondeval (Genesis 3) van de mensen onder de vloek gekomen. ‘De schepping is aan de ijdelheid onderworpen, niet gewillig, maar om diens wil, die het aan de ijdelheid onderworpen heeft’ en ‘alle schepselen zuchten en zijn als in barensnood tot nu toe’, schrijft Paulus in Romeinen 8. Het Nieuwe Testament eindigt met in de laatste hoofdstukken van Openbaring de nieuwe hemel en aarde te beschrijven in woorden die sterk doen denken aan Genesis 1 en 2. Uiteindelijk zal het alles weer volmaakt goed zijn!

Voordat de schepping hersteld wordt, moet de mens verlost worden. Nadat de mens in het paradijs van God afviel, kwam hij onder de macht van de duivel, de dood en de zonde. En geen mens is in staat zichzelf hieruit te verlossen.

God belooft echter direct na de val dat de kop van de slang, dat is de duivel (Openbaring 12), zal vermorzeld worden door het Zaad van de vrouw. Jezus Christus, eeuwig God zijnde en uit de vrouw mens geworden zijnde, was machtig en gewillig om door Zijn dood teniet te doen degene die het geweld van de dood had, dat is de duivel (Hebreeën 2:14). Aan het kruis heeft hij de overheden en machten (dat zijn de helse duivelen) overwonnen en over hen getriomfeerd (Kolossenzen 2:15) . Hoewel de duivel nu nog rond gaat als een briesende leeuw (1 Petrus 5:8), is hij toch verslagen en zal door God spoedig onder onze voeten verpletterd worden (Romeinen 16:20).

Door Zijn sterven en opstanding heeft de Heere Jezus Christus ook de straf en de macht van de dood overwonnen. De straf op de zonde is de dood. ‘Als u van de boom van kennis van goed en van kwaad zult eten, zult u de dood sterven’ (Gen. 2:17) Adam heeft gegeten en wij in hem (Romeinen 5:12-21) en de straf en de macht van de dood is gekomen over alle mensen. Maar, geprezen zij God, Jezus heeft Zichzelf tot zonde/zondaar gemaakt en heeft de straf voor ons gedragen! Hij stierf voor ons, om ons het leven te geven. De dood was niet in staat Hem te houden en Hij is opgestaan uit het graf! Jezus leeft en wij door Hem. ‘De dood is verslonden tot overwinning. Dood waar is uw prikkel? Hel, waar is uw overwinning? De prikkel nu van de dood is de zonde, en de kracht van de zonde is de wet. Maar God zij dank, Die ons de overwinning geeft door onze Heere Jezus Christus!’ (1 Korinthe 15:54-57).

Door Zijn sterven heeft Jezus ons niet alleen verlost van de schuld en de straf op de zonde (dat is de dood), maar ook van de kracht van de zonde. Wij die slaven waren van de zonde en niet anders konden of wilden dan te zondigen, zijn vrijgemaakt! De zonde verliest meer en meer haar greep op ons. Zij heerst niet meer over ons, omdat wij gestorven zijn voor de zonde. Wij zijn vrijgekocht tot dienaren van God en de gerechtigheid. Door onze val verloren wij het beeld van God, waarnaar we geschapen waren (Genesis 1:26-28; 5:1), maar door Jezus, Die Zelf het beeld van de Onzienlijke God is (Kolossenzen 1:15), worden wij naar Zijn evenbeeld herschapen (Kolossenzen 3:10).

Dit grote plan van de verlossing begint dus al direct in Genesis 3. Nadat in de eerste elf hoofdstukken duidelijk is geworden dat er geen middel voldoet om de mens tot verbetering te brengen, zelfs een zondvloed niet, begint God met een nieuw plan. De hele wereld zal verlost worden door één volk. In Genesis 12:1-3 wordt Abraham geroepen en de belofte gegeven dat in zijn zaad alle volken van de aarde gezegend zullen worden. Heel het Oude Testament laat zien hoe de vervulling van deze belofte van meet af aan voortdurend bedreigd wordt. Allereerst in het bij verschillende generaties uitblijven van nageslacht. Ten tweede wordt dit volk, en in het bijzonder de voorouders van de Messias, bedreigd door de dood; is het niet door honger, dan door andere volken. Ten derde in de ontrouw en goddeloosheid van het volk zelf. Zal het ooit goed komen met de mensheid? Het zijn de wonderlijke aankondiging, geboorte, leven, sterven, opstanding en hemelvaart van Jezus, die alle beloften waarmaken (vgl. 2 Korinthe 1:20)! Hij is de Zoon van Abraham, het Zaad in Wie alle volken van de aarde gezegend worden (Galaten 3:13-14). De God van Abraham, Izak en Jakob is de God en Vader van onze Heere Jezus Christus. Zoals Jozef werd vernederd door zijn broers, maar uiteindelijk verhoogd werd, is Jezus vernederd door Zijn broeders naar het vlees, maar uiteindelijk verhoogd tot aan de rechterhand van de Vader. Hij kon zeggen met Jozef: ‘Gijlieden wel, gij hebt kwaad tegen mij gedacht, maar God heeft dat ten goede gedacht; opdat Hij deed, gelijk het te dezen dage is, om een groot volk in het leven te behouden!’ (Genesis 50:20; vgl. Johannes 11:49-52 en Handelingen 3:13-18)

Abraham, Izak, Jakob en Jozef worden in Hebreeën 11 genoemd als voorbeeld om na te volgen in het geloof. Door te wandelen in hetzelfde geloof als Abraham zijn wij zijn kinderen (Galaten 3:7) en worden net als hij door het geloof gerechtvaardigd (Genesis 15:6) en bezitters van de beloften (Hebreeën 6:12). Veel meer worden wij gewezen op het geloof, de trouw van God Zelf. Hij Die aan Abraham de belofte deed met het zweren van een eed bij Zijn eigen Naam, heeft dit gedaan om ons een sterke vertroosting te geven (Hebreeën 6:13-18). Het is de trouw van deze God, Die niet liegen kan, die ons in staat stelt met ons hele hart op Hem te vertrouwen! Want wie op Hem vertrouwt, zal niet beschaamd worden. ‘God is getrouw, Hij kan Zichzelf niet verloochenen.’

Voor andere lijnen naar het Nieuwe Testament zie de ‘Bijbelstudies’. Bijvoorbeeld Genesis 11 waar de taal van de volken verdeeld wordt en niemand elkaar meer kan verstaan. Het is met de uitstorting van de Heilige Geest dat de apostelen spreken in andere talen en alle mensen hen horen spreken en kunnen verstaan in hun eigen taal. Met de verkondiging en verbreiding van het Evangelie over de aarde, maakt God een begin om uiteindelijk alle mensen uit alle talen, volken en natiën weer tot één taal en één plaats te brengen in Christus Jezus (vgl. Efeze 1:10).