Genesis 1:1-2:3

Voor de achtergrond (auteur, datering, globale inhoud en lijnen naar het Nieuwe Testament) van het boek Genesis zie deze pagina.

Een structuuranalyse van dit tekstgedeelte vindt u hier: Genesis 1,1-2,3

Het eerste hoofdstuk van de Bijbel loopt door tot en met hoofdstuk 2:3. Hier zijn meerdere argumenten voor te geven, onder andere dat er consequent over ‘God’ gesproken wordt, in tegenstelling tot de rest van hoofdstuk 2 waar consequent de Naam ‘HEERE God’ wordt gebruikt.

De titel van dit hoofdstuk luidt ‘In de beginne schiep God de hemel en de aarde’. Er wordt over de aarde gezegd dat deze ‘woest’ en ‘ledig’ is. De eerste drie dagen van de schepping scheppen orde in de chaos en de tweede drie dagen scheppen opvulling van de leegte. In de structuuranalyse is duidelijk te zien dat dag 1 en 4, dag 2 en 5, dag 3 en 6 bij elkaar horen. God schept eerst de leefomgeving, vervolgens de schepselen die daarin thuis horen.

De nadruk in het scheppingsverslag ligt op het feit dat God de wereld geschapen heeft. De Naam ‘God’ wordt maar liefst 34x genoemd: ‘En God…’ Het is God Die de Schepper is van hemel en aarde. Genesis gaat niet in op de ouderdom van de aarde en heeft ook niet als doel de evolutietheorie te weerleggen, eenvoudigweg omdat die theorie nog niet bestond toen Genesis geschreven werd. Het Scheppingsverslag staat wel in een duidelijk contrast met de toenmalige verhalen over het ontstaan van de aarde. In andere scheppingsverhalen (bijvoorbeeld van Ugarit en Mesopotamië) staat veelal de strijd tussen verschillende goden centraal.

De mens is de kroon op de schepping en de rest van hoofdstuk 2 zoomt meer in op de bijzondere relatie tussen (de HEERE) God en de mens. De mens is geschapen naar Gods beeld en naar Zijn gelijkenis (zie: Mens als beeld van God).

De climax van het Scheppingsverhaal is niet de mens, maar de zevende dag; de dag dat God alles geschapen had wat Hij wilde en Hij rustte van al Zijn werk, dat Hij gemaakt had.