Exodus

Exodus, wat letterlijk ‘uittocht’ betekent, is het tweede boek van de Bijbel, het tweede boek van het Deuteronomistisch geschiedwerk (Genesis tot en met Koningen) en het tweede boek van de Thora of Pentateuch. In het Hebreeuws heet het boek וְאֵלֶּה שְׁמוֹת we-elleh semot (‘en dit zijn de namen’) en is hiermee op twee manieren aan het boek Genesis verbonden. Het boek begint met het verbindende woordje ‘en’, wat laat zien dat het voorgaande verhaal doorgaat. Ten tweede is deze frase een herhaling van Genesis 46:8. Het einde van Genesis wijst op een tijd dat ze Egypte weer zullen verlaten. Jozef geeft zijn broers de opdracht zijn beenderen mee te nemen. Als het zover is dat Israël uit Egypte trekt, staat er uitdrukkelijk dat Mozes de beenderen van Jozef meenam (Exodus 13:19). Hoewel het verhaal dus doorloopt, wordt er wel een enorme sprong gemaakt in de tijd. Een tijd van ongeveer vierhonderd jaar, waarin de zeventig zielen van Jakob, uitgroeien tot een machtig en talrijk volk. De exodus zelf is lastig te dateren, onder andere omdat we niet weten om welke Farao het in Exodus gaat. Hierover onder meer bij Auteurschap en datering.

Auteurschap en datering

Voor het auteurschap en de datering geldt hetzelfde als voor Genesis en de andere boeken van de Pentateuch. Ik verwijs naar de pagina over Genesis.

Voor de datering kunnen we niet alleen kijken naar de tijd wanneer het boek geschreven is, maar ook naar de tijd die erin beschreven wordt. Over welke periode gaat het? Wanneer was de uittocht?

Twee Bijbelteksten kunnen hier licht op werpen. Allereerst 1 Koningen 6:1: ‘Het geschiedde nu in het vierhonderd en tachtigste jaar na de uitgang van de kinderen Israël uit Egypte, in het vierde jaar van het koninkrijk van Salomo over Israël, in de maand Ziv (deze is de tweede maand), dat hij het huis des HEEREN bouwde.’ We weten exact wanneer Salomo regeerde en het vierde jaar van zijn koninkrijk is het jaar 967 BC. De exodus vond dan plaats in het jaar 1447 BC (of ongeveer, omdat de getallen misschien zijn afgerond). De tweede tekst is Richteren 11:26, waar Jefta zegt dat Israël driehonderd jaar gewoond heeft in Moab. Hoewel we niet exact weten wanneer Jefta leefde (stel 1100 BC), zou deze datering van de exodus goed overeen kunnen komen met die van Koningen (intocht was dan dus rond 1400 BC, zie Jozua).

Op deze datering zijn veel bezwaren geuit. Sommigen ontkennen ronduit dat er een Exodus heeft plaatsgevonden, anderen plaatsen de Exodus in de dertiende, twaalfde of zelfs elfde eeuw. Het getal van 480 jaren zou symbolisch gelezen moeten worden en staan voor 12 (stammen) keer 40. De grote aantallen zouden problematisch zijn (alleen al meer dan 600.000 mannen betekent een volk van miljoenen) en archeologische opgravingen zouden wijzen naar een latere uittocht en intocht dan de vijftiende eeuw. De identificatie van de steden Pitom en Raämses (Exodus 1:11) met Tell el-Maskhouta en Tanis speelt hierin een grote rol. Deze steden zouden gebouwd zijn door Ramese II (c. 1290-1224 BC) en in de vijftiende eeuw nog niet bevolkt zijn geweest. Daarnaast zijn er sporen van vernietiging in Israël te vinden van de dertiende eeuw. Deze worden gelinkt aan de activiteiten van Jozua en Israël bij het veroveren van het land Kanaän.

Er zijn echter wetenschappers die Pitom en Raämses identificeren met andere steden, die wel in de vijftiende eeuw bevolkt waren. Wat de archeologische opgravingen in Israël betreft, er is geen bewijs dat de sporen van vernietiging uit de 13e eeuw gelinkt moeten worden aan de intocht onder Jozua. Wetenschappers als Bimson tonen aan dat de archeologische data goed te harmoniseren zijn met de Bijbelteksten die de exodus plaatsen in de vijftiende eeuw voor Christus.

Welke hypothese moeten we nu kiezen? Een uittocht van de vijftiende of van de dertiende eeuw? Voor beide theorieën gelden goede argumenten en beide hypotheses zijn werkbaar. We kunnen er dus geen dogmatische uitspraak over doen, totdat er wellicht meer bewijs is geleverd voor het een of het ander.

Indeling

Het boek Exodus is als volgt in te delen:

  • Hoofdstuk 1 tot en met 13 (Israël in Egypte)
  1. 1 Verdrukking
  2. 2 Geboorte, jeugd en vlucht van Mozes
  3. 3-4 Roeping van Mozes
  4. 5-11 Mozes in Egypte; de tien plagen
  5. 12-13 Instelling en viering van het Pascha
  • Hoofdstuk 13 tot en met 18 (Israël door de woestijn)
  1. 13-14 Doortocht door de Schelfzee
  2. 15 Lied van Mozes
  3. 15-18 Reis naar de Sinaï
  • Hoofdstuk 19 tot en met 40 (Israël bij de Sinaï)
  1. 19 Verschijning van Gods majesteit op de Sinaï
  2. 20-24 Wetten en voorschriften; verbondssluiting                                                                         – 20:1-17 Decaloog; 20:22-23:19 Verbondsboek
  3. 25-31 Aanwijzingen voor de bouw van de tabernakel
  4. 32-34 Gouden kalf; Mozes’ toorn; verbondsvernieuwing
  5. 35-40 Vervaardiging tabernakel en inwijding

Inhoud

Het boek Genesis eindigde met de ontmoeting tussen Jozef en zijn familie. Het nageslacht van Abraham was in Egypte gekomen. Hoewel ze in Egypte klein in aantal begonnen, vermenigvuldigden ze snel. Het werd een volk om bang voor te worden. Hier begint het boek Exodus. Een nieuwe koning, die Jozef niet had gekend, kwam aan de macht (1:8). Hij meent wijs te moeten handelen tegen de Israëlieten en begint ze te verdrukken. Een moeilijke periode breekt aan voor Israël. Ze schreeuwen en zuchten onder de slavernij (2:23). God hoort dit en Hij gedenkt aan Zijn verbond, opgericht met Abraham, Izak en Jakob. God heeft hen beloofd een talrijk volk te worden en te wonen in een eigen land. De HEERE komt in actie…

Mozes, van wie de geboorte en jeugd beschreven staan in het tweede hoofdstuk, wordt door God voorbereidt op een geweldige taak. Eerst aan het hof van Farao, waar hij ongetwijfeld de beste educatie heeft ontvangen die mogelijk was. Op zijn veertigste ziet Mozes het lijden van zijn volksgenoten en hij slaat een Egyptenaar dood. Mozes moet vluchten voor Farao. Veertig jaar dient Mozes in de woestijn als schaapherder voor zijn schoonvader Jethro. Dan wordt Mozes geroepen. Mozes moet terug naar Egypte om Israël te bevrijden. Wat een taak! Een taak die Mozes ook niet ziet zitten, maar uiteindelijk gehoorzaamt hij toch.

Farao is niet gewillig het volk te laten gaan en pas nadat de HEERE de Egyptenaars 10 keer geplaagd heeft en Hij heeft laten zien sterker te zijn dan al hun goden, laat Farao het volk trekken. Het feest wat hier bij hoort is het Pascha (wat letterlijk ‘voorbijgaan’ betekent). De Engel van de HEERE ging Israël voorbij omdat het bloed van het lam aan de posten van de deuren was aangebracht. Alle eerstgeborenen van Egypte worden gedood. In groot verdriet en angst worden de Israëlieten overladen met zilver en goud door de Egyptenaars weggestuurd. Ze zijn vrij! Het woord van God tot Abraham is waar geworden: “Weet voorzeker dat uw zaad vreemd zal zijn in een land, dat hunner niet is, en zij zullen hen dienen, en zij zullen hen verdrukken vierhonderd jaar. Doch Ik zal het volk ook richten, hetwelk zij zullen dienen; en daarna zullen zij uittrekken met grote have.” (Genesis 15:13-14)

Farao krijgt echter spijt en stuurt zijn leger achter het volk aan. Het lijkt alsnog fout te gaan, ware het niet dat God ingreep en de Israëlieten een veilige doortocht gaf door de Schelfzee. Een pad wat het graf werd voor de achtervolgende Egyptenaren. Ze zijn nu echt vrij en de vreugde wordt geuit in een lied voor de HEERE.

Hier begint de woestijnreis. Allereerst een reis naar het beloofde land. Maar ze moeten eerst naar de berg Sinaï, waar God een verbond sluit met het bevrijde volk. De reis door de woestijn wordt gekenmerkt door angst, ongeloof, murmureren en opstand van het volk, maar ook door de liefde, genade en trouw van God. Mozes heeft het zwaar als leider en stelt na het advies van Jethro andere leiders aan. Dan komen ze bij de Sinaï. Hier verschijnt God in Zijn heerlijkheid en majesteit. Ontzagwekkend is de bliksem en de donder. De berg beeft en het volk siddert. Mozes moet de berg op om de woorden van God te ontvangen en door te geven aan het volk. Hier ontvangt Mozes de tien woorden (de decaloog) en het boek van het verbond (20:22-23:19, zie 24:7). Het verbond wordt ingewijd met bloed.

In hoofdstuk 25 tot en met 31 wordt de opdracht gegeven de tabernakel te bouwen. Mozes moet toezien het precies te maken zoals God hem op de berg getoond heeft. In hoofdstuk 35 tot en met 40 wordt de tabernakel vervaardigt en ingewijd. Het gaat allemaal precies zoals God Mozes geboden heeft.

De hoofdstukken 32-34 onderbreken de instructies en de vervaardiging van de tabernakel. Op het moment dat Mozes op de berg is (voor veertig dagen en veertig nachten), begint het volk met het bouwen van een kalf. Ze hebben de wet nog maar net ontvangen, met veel tekenen van Gods majesteit, of ze zijn al ongehoorzaam. Mozes is woedend en gooit de zojuist ontvangen stenen wetstafelen kapot. Dankzij Mozes’ voorbede wordt het volk gespaard en wordt het verbond vernieuwd.

Lijnen naar het Nieuwe Testament

De exodus is ongetwijfeld de grootste reddende daad van God in het Oude Testament. Geen thema komt zo veelvuldig terug in het Oude Testament als die van de uittocht en de reis naar het beloofde land. Niet minder belangrijk voor het volk Israël is het ontvangen van de wet en de bouw van de tabernakel. Al deze elementen onderstrepen één fundamentele waarheid: God is aanwezig bij het volk Israël als haar Redder en Koning.

Tijdens de Babylonische gevangenschap werd er uitgezien naar een nieuwe exodus. De profeten voorzeiden een uittocht en een woestijnreis terug naar het beloofde land (bijvoorbeeld Jesaja 35:5-10; 40:3-5; 43:14-21; Hos. 2:14-16). Deze profetieën hebben hun vervulling gekregen tijdens de regering van Kores, onder leiding van mannen als Ezra en Nehemia.

In het Nieuwe Testament worden deze profetieën opnieuw vervuld, en wel in de komst van Jezus. Markus begint zijn Evangelie met een citaat uit Jesaja 40:3 en Maleachi 3:1: ‘Zie, Ik zend Mijn engel voor Uw aangezicht, die uw weg voor U heen bereiden zal. De stem van de roepende (in de woestijn): ‘Bereidt de weg des Heeren (in de woestijn), maakt Zijn paden recht.’ Achter deze profetische woorden zitten elementen uit Exodus. Bijvoorbeeld Exodus 23:20: ‘Zie, Ik zend een Engel voor uw aangezicht, om u te behoeden op deze weg en om u te brengen tot de plaats die Ik bereid heb.’

Jezus’ leven was een vervulling van de exodus. Jezus moest vluchten naar Egypte en werd door God hier vandaan geroepen, opdat vervuld zou worden wat van de Heere gesproken was door de profeet, zeggende: ‘Uit Egypte heb Ik Mijn Zoon geroepen’ (Mattheüs 2:15 -> Hosea 11:1 -> Exodus 4:22-23). De doop van Jezus was de vervulling van de doortocht door de Schelfzee (vgl. 1 Korinthe 10:1-6), dat gevolgd werd door een periode van veertig dagen (overeenstemmend met de veertig jaar van Israël) in de woestijn. Daar waar de Israëlieten ongehoorzaam waren, is Jezus in de beproevingen en verzoekingen trouw aan de woorden van God (Deuteronomium 8:1-3 -> Mattheüs 4:1-11).

Zoals de berg Sinaï een belangrijke rol speelde in de wetten en woorden door Mozes gegeven, zo spelen de bergen, zeker in het Evangelie van Mattheüs, een belangrijke rol in de wetten en woorden door Jezus gegeven. De Bergrede (Mattheüs 5-7) is geen afschaffing van de wetten van Mozes, maar de vervulling (5:17). In Mattheüs 17 is Jezus opnieuw op een berg en wordt Hij van gedaante verandert. Zijn aangezicht blinkt gelijk de zon, wat doet denken aan Mozes toen hij terugkeerde van de berg (Exodus 34:29-35). Een stem uit een wolk die hen overschaduwd zegt: “Deze is Mijn geliefde Zoon, in Denwelken in Mijn welbehagen heb, hoort Hem.” Dit wijst niet alleen terug naar Jesaja 42:1, waar God Zijn Knecht zo voorstelt, maar ook naar Exodus 19:9, waar God tot Mozes zegt: “Zie, Ik zal tot u komen in een dikke wolk, opdat het volk hoort, als Ik met u spreek, en dat zij ook eeuwig aan u geloven.”

Volgens Lukas 9:30 is dit het moment waarop Jezus door Mozes en Elia op de hoogte wordt gebracht van ‘Zijn uitgang’. Letterlijk staat hier, van ‘Zijn exodus’. Dit laat zien dat de diepste vervulling van de exodus plaatsvond in het lijden en sterven van de Heere Jezus, tijdens het Pascha. Hij is het Lam, Wiens bloed nodig is om aan de straf van God te ontkomen (vgl. 1 Korinthe 5:7 -> Exodus 13). Hij geeft het bloed, dat de inwijding van een nieuw verbond mogelijk maakt (Mattheüs 26:28 -> Exodus 34).

De tabernakel was daarop gericht dat God in het midden van het volk zou zijn. We lezen in het laatste hoofdstuk van Exodus hoe God daadwerkelijk neerdaalt met Zijn heerlijkheid. Offers voor het zondige volk waren nodig om het mogelijk te maken voor de heilige God in hun midden te zijn. Ten diepste waren deze offers niet genoeg en wezen ze heen naar Jezus. Het bloed van stieren en kalveren kon onmogelijk de schuld van de zonden wegnemen, maar Christus heeft dit door Zijn bloed bewerkt (zie bijvoorbeeld Hebreeën 9). In Ezechiël lezen we dat God de tempel moet verlaten, om Zelf niet ontheiligd te worden. Een nieuwe tempel zal echter komen, waarin God weer Zijn tegenwoordigheid zal geven. In de Evangeliën lezen we hoe Jezus onder ons heeft getabernakeld (Johannes 1:14), Zichzelf de nieuwe tempel noemt (Johannes 2:19-21) en de ware tegenwoordigheid van God is (Immanuël, Mattheüs 1:23).

Naast de vele lijnen die naar Jezus getrokken worden door de schrijvers van het Nieuwe Testament, worden er ook lijnen getrokken naar de gelovigen. Zo maakt Hebreeën 3 en 4 de lezers duidelijk dat er nu gehoorzaamheid en geloof gevraagd wordt op weg naar de hemel, zoals dat gevraagd werd van de Israëlieten op weg naar het beloofde land. De tijd op aarde is vergelijkbaar met de woestijntocht, een tijd van verzoeking en beproeving. Maar wie trouw blijft tot in de dood, ontvangt een eeuwige rust. Israël is een (negatief) voorbeeld voor ons als gelovigen, om niet te twijfelen aan Gods beloften, maar door lijdzaamheid en lankmoedigheid de vervulling te verwachten en ontvangen.

Wij hebben dezelfde wet ontvangen als de Israëlieten. Deze wet is echter niet langer geschreven op stenen tafelen, maar in vlezen tafelen van het hart (2 Korinthe 3:3). Zoals Jezus meer is dan Mozes, zo is het nieuwe verbond heerlijker dan het oude. We zijn niet vrij van de wet, maar door Christus wel verlost van de vloek van de wet (Romeinen 7).